7 november 2015
De laatste etappe van mijn Pieterpad ligt voor me. Van Strabeek, bij Valkenburg, naar het eindpunt op de Sint-Pietersberg. Rond half tien kom ik aan in een opvallend stil Valkenburg. Via de Spoorstraat wandel ik rustig naar het beginpunt, alsof de dag me nog even de tijd geeft om te beseffen wat er gaat komen.
Ik sla linksaf de Klaterstraat in, richting de Geul. Na een paar honderd meter sta ik op een houten bruggetje, het water stroomt onder me door. Het pad maakt een ruime bocht naar rechts en volgt de rivier. Aan de overkant ligt Château St. Gerlach, een plek waar ooit grote namen verbleven. Het landschap is hier zacht en bijna sereen.
Na een kilometer sla ik linksaf de Lange Bergweg in. Halverwege kom ik twee wandelaars tegen, herkenbaar aan het bekende Pieterpadboekje in hun handen. Ze zijn net begonnen, vanaf de Sint-Pietersberg. We raken aan de praat. Ik vertel kort over mijn tocht, zij luisteren met een mengeling van nieuwsgierigheid en enthousiasme. Wanneer we afscheid nemen, bekruipt me een vreemd gevoel. Voor mij eindigt het hier bijna, voor hen begint het nog. En ergens voel ik een lichte jaloezie.
De klim door de bossen van Ingendael richting Terblijt volgt. Het is een lange, gestage klim. Rond half twaalf loop ik Terblijt binnen en neem ik eerst een kop koffie. Even zitten, even stilstaan bij wat nog komt.
Aan de zuidkant van het dorp doemt de Bemelerberg op. Ik weet dat het nog zo’n tien kilometer is tot het eindpunt. Langzaam dringt het besef door. Ik heb dit gewoon gedaan. Tweeënhalf jaar geleden had ik voor honderd meter nog een auto nodig. Nu heb ik in tien weekenden bijna vijfhonderd kilometer gelopen. De trots voelt stil, maar diep.
Ik daal een veldweg af, glad en steil, en kom het Bemelerbos binnen. De mergelgrotten langs de Bemelerberg herinneren aan de eeuwenlange winning van kalksteen. Terwijl ik erlangs loop, besef ik hoe bijzonder juist deze laatste etappes zijn geweest. Vaak wordt me gevraagd welke het mooist was, maar een antwoord heb ik niet. Iedere etappe had zijn eigen karakter, zijn eigen charme. Al moet ik toegeven dat het vanaf Sittard wel extra bijzonder werd.
Na enkele akkers loop ik Maastricht binnen. De rust van de natuur maakt plaats voor de drukte van de stad. Vanaf hier is het een rechte, levendige route richting het centrum. Bij het station besef ik opnieuw hoe dichtbij het einde is.
Over de Sint-Servaasbrug steek ik de Maas over en sla linksaf. Door smalle straatjes, langs winkels en pleinen, loop ik verder zuidwaarts. Ik breng nog een bezoek aan de Bisschopsmolen en later de Leeuwenmolen. Kleine tussenstops die de route nog even verlengen.
Ik steek de Jeker over en wandel door een klein stadspark. Bij een druk kruispunt herken ik het politiebureau uit Flikken Maastricht. Het voelt bijna vertrouwd, alsof ik door een bekend decor loop.
Dan komt het laatste stuk. Richting Fort Sint Pieter, aan de voet van de berg. Via een steile trap klim ik omhoog. Nog een paar grasvelden, langs de grote mergelgroeve, en dan sta ik er. Het officiële eindpunt van het Pieterpad, boven op de Sint-Pietersberg.
Op een zuil lees ik de woorden: “Tussen wens en vervulling ligt een grote afstand.” Ze raken precies wat deze tocht is geweest. Wat ooit ver weg leek, is nu werkelijkheid. De laatste foto’s worden gemaakt.
Ik denk aan iedereen die dit mogelijk heeft gemaakt. Aan de vrijwilligers die het pad onderhouden, en aan Toos Goorhuis en Bertje Jens, die het ooit bedachten. Dankzij hen heb ik Nederland op een manier leren kennen die ik anders nooit had ervaren.
In de trein terug naar Nijmegen hoor ik de omroep. Namen van plaatsen trekken voorbij: Sittard, Roermond, Swalmen, Venlo, Vierlingsbeek. Elke naam roept beelden op, herinneringen aan paden, ontmoetingen en momenten.
Het voelt vreemd. Maar vooral mooi.









































