15 augustus 2015
Op een bewolkte zomerdag begin ik aan de eerste etappe van het Pieterpad, van Pieterburen naar Winsum. De reis ernaartoe verloopt verrassend soepel. Vanaf station Winsum stap ik in een klein busje dat me naar Pieterburen brengt. We zijn met z’n tweeën, allebei met hetzelfde plan: beginnen aan het pad. De chauffeur blijkt een verhalenverteller. Terwijl het landschap aan ons voorbijglijdt, deelt hij allerlei wetenswaardigheden over Pieterburen en de omgeving. Uiteindelijk zet hij ons, bijna ceremonieel, af bij het officiële startpunt.
De beroemde wegwijzer kan natuurlijk niet ontbreken op de foto. Terwijl ik daar sta, komt een vriendelijke vrouw naar me toe. Ze vraagt of ze een foto van mij wil maken, samen met het bord. Daarna vertelt ze enthousiast over haar eigen ervaringen met het Pieterpad. Het voelt meteen alsof ik deel uitmaak van een groter verhaal, van mensen die hier allemaal hun eigen tocht beginnen.
Voordat ik vertrek, neem ik nog even plaats bij het restaurant tegenover het startpunt voor een kop koffie. Daarna kan het echt beginnen. Het eerste stuk, richting Eenrum, voert over een rustig betonnen voetpad en vervolgens over een stille landweg. Het landschap is open en weids, bijna meditatief in zijn eenvoud. Wanneer ik het Eenrumerbos nader, verandert de sfeer. Het wordt donkerder, de lucht betrekt, en niet veel later barst er een onweersbui los. Regen en gerommel vullen de stilte. Na een kleine twintig minuten klaart het weer op, alsof er niets gebeurd is, en kan ik mijn weg vervolgen.
Eenrum blijkt een klein, goed bewaard wierdendorp, met een geschiedenis die voelbaar is in de smalle straatjes en oude gebouwen. De kerk, deels opgetrokken uit tufsteen en daterend uit de dertiende eeuw, vormt het middelpunt. Bij de kerk raak ik even de route kwijt, maar al snel komt iemand me helpen. Het pad blijkt smal en makkelijk te missen. Wat me onderweg opvalt, is hoe vriendelijk iedereen is. Mensen maken graag een praatje, alsof wandelaars hier vanzelfsprekend bij het dorp horen.
De route voert verder naar Mensingeweer, een klein dorp in de voormalige gemeente De Marne, met nog geen tweehonderd inwoners. Het is er stil, bijna verstild, alsof de tijd er trager loopt.
Vanaf daar volg ik het Mensingeweersterloopdiep. Aan de ene kant ligt een drukke weg richting Winsum, maar aan de andere kant strekt het landschap zich eindeloos uit. Het contrast is bijzonder: verkeer en stilte, beweging en rust, zo dicht bij elkaar. Na een paar kilometer sla ik linksaf bij het Winsumerdiep. In de verte verschijnt Winsum.
Winsum — in het Gronings Wizum — ligt op drie wierden: Winsum zelf, Bellingeweer en Obergum. Vooral Obergum voelt nog als een apart dorp. Ooit waren Winsum en Obergum met elkaar verbonden door een stenen boogbrug, toepasselijk De Boog genoemd, en een hoogholtje: de Jeneverbrug. Die naam komt niet uit de lucht vallen. De bewoners van Obergum staken de brug over om in Winsum naar het café te gaan, terwijl de Winsumers juist naar Obergum trokken voor hun borrel. In je eigen dorp drinken deed je niet; over de brug gaan gaf het een ander karakter.
In Winsum sluit ik de etappe af bij herberg De Gouden Karper. Met een bord eten en een drankje laat ik de dag bezinken. Het voelt als een passend einde van deze eerste tocht. Daarna besluit ik terug te reizen naar Nijmegen. Ook nu word ik weer vriendelijk geholpen. Iemand wijst me de weg naar het station, en even later zit ik in de trein, met het gevoel dat dit nog maar het begin is van een groter avontuur.































